Ze liepen wat onwennig door het Olympisch Stadion.
De een dacht terug aan de bevallige Sjoukje Dijkstra die hij in zijn
jeugd hier had zien schaatsen.
De ander keek wat nerveus om zich heen, een televisie zoekend.
Niet leek er aan te herinneren dat ze zich de dag tevoren de longen
uit hun lijf hadden gefietst.
Toen hadden ze geluk gehad, toen ze ,samen met al die anderen,
de Passo Giau, de Valporela en de Falzarego hadden bedwongen.
Toen scheen de zon.
Vandaag zouden ze niet zoveel geluk hebben.
Regen en Autolak stonden het geluk in de weg.
De pasta schonk wel troost.
(Cortina, 10 juli 2000)
De
Uilen
Het
reisgezelschap keek wat wantrouwend om zich
heen.
Zou
het nu weer gaan regenen?
Toen
de regen even minderde bood Pluvius hun de
kans,
de
tent in een razend tempo gecoördineerd af te
breken.
Waren
ze die middag ook maar zo gecoördineerd
geweest.
Nadat
ze in het dorp van de piraat waren
aangekomen,
probeerden
ze de tent te drogen; een scheur was het
gevolg.
Toch
konden ze nu weer rustig ademhalen.
De
hemel trok open en de eerste sterren verschenen aan het
firmament.
Toen
'topper' belde konden ze hem dan ook
vertellen,
dat
het allemaal goed zou komen.
De
uilen durfden zelfs te voorschijn te komen om met hun grote
ogen,
te
zien hoe de mensen zich laafden aan wijn en
kaas.
(Cesenatico, 12 juli 2000)
Van
Gogh
De
vrouw zal tegen de 50 zijn geweest.
Al
jaren geblondeerd. Ze wist zelfs niet meer wanneer
zij begonnen was of wat haar natuurlijke haarkleur
was.
Er
was iemand naast haar komen zitten. Hij las de Corriere di
Cesena.
Ze
begon mee te lezen en maakte een opmerking over wat ze
las.
Hij
reageerde in het Italiaans, maar leek niet van
hier.
De
hele bank begon zich er mee te bemoeien.
De
jongen kwam uit het land van Van Gogh en daar wisten de
andere dames, moeder en dochter, ook wel wat
over.
Zo
kwebbelden ze door.
Ze
verwonderden zich nog steeds over de jeugd van
tegenwoordig.
Sommigen
leken geen doel te hebben; Dit was wel een aardige
jongen
Hij
ging trouwens al weer weg.
Ze
gaf hem twee zoenen en keek hem na, terwijl hij over de
kasseien wegfietste.
Ze
zag zijn Pantani-bandana nog net om de hoek
verdwijnen.
(Cesenatico, 12 juli 2000)
Papa
De
man keek tevreden om zich heen.
Zijn
tafel werd meteen voor hem gedekt.
Hij
was immers de eigenaar.

De
zaak was gevuld met klanten.
Hij
zou dan ook weer vele piadine verkopen.
Zijn
zoon zou bovendien zeker de volgende dag winnen
,
op
die winderige berg.
Rick
nam een hapje van zijn piadina en knikte naar de
man.
Die
knikte terug.
De
volgende dag keek Rick de etappe naar de Mont
Ventoux,
aan
het strand van Cesenatico.
Pantani
won.
Dus
papa zou ook de volgende dag,
tevreden
in zijn restaurantje kunnen zitten.
(Cesenatico, 13 juli 2000)
Tineke
Een
huis-, tuin- en keuken naam eigenlijk.
Zelf
was ze wat specialer.
Rick
zag haar praten met zijn buurman. Hij mengde zich even in
het gesprek.
Toen
ging hij dansen, met een Poolse
blondine.
Ze
brachten de dansvloer in vervoering.
Toen
werden de Polen weggeroepen door hun
secretaris-generaal.
Rick
keek om zich heen, en zag haar weer
staan.
In
een hoekje, dansend, alleen voor
zichzelf.
Britney
klonk uit de luidsprekers.
Tineke
keek hem uitdagend aan.
Hun
lijven bewogen al snel in hetzelfde
ritme.
De
chemie bracht hun nader tot elkaar.
Ze
verkenden elkaar zoals een vis een nieuwe kom
onderzoekt,
Vrij,
Dartelend, in een nieuwe speelruimte,
Rick
miste de bus, maar dat vond hij al niet meer
erg.
Met
haar liep hij lachend door de plassen.
Veel
later lag hij pas in zijn bedje, verhalend over de dagen en
nachten.
(Riccione, 17 juli 2000)
Twee
Zussen
Ze
stonden tegenover elkaar die avond.
De
ene, de hand van haar Jasper
vasthoudend.
De
ander, een beetje geirriteerd door het
ontbreken
van
een hand om vast te houden.
Het
was zo anders geweest, aan het begin van de
vakantie.
Toen
ze die Amsterdammers voor het eerst
tegenkwamen.
Jasper
was wel goedgekeurd.
Hun
vriendinnen vonden hem zelfs een lekker
ding.
Hanneke
had natuurlijk te veel tijd aan hem
gegeven.
Maar
het zou allemaal weer goed komen.
Zoals
het altijd weer goed komt tussen zussen.
Ook
als ze uit Overijssel komen.
Riccione, 20 juli 2000)
De Lerares
Ze
moest al die jongens niet.
Of
ze nu uit Borne kwamen, of ergens anders
vandaan.
Ze
ging voor de onbereikbare man.
Ze
verklaarde haar liefde aan een Ier.
Maar
of die wilde?
Als
haar leerlingen haar toch eens zagen.
Maar
dat was nu niet zo belangrijk.
Ze
was met belangrijkere dingen bezig.
Had
ze zich toch te hoge eisen opgelegd?
Ze
wist het niet.
Maar
toen Rick net thuis was,
belde
ze hem maar eens.
(Amsterdam, 30 juli 2000)
Pauline
Haar
stem bereikte ons voor het eerst
vrijdagavond.
Het
gezicht dat bij die hese klanken hoorde, zagen we een
dag later.
Ze
was besproet, en haar haar werd steeds een beetje
blonder.
Pauline,
want zo heette ze, was mee met een grote
groep.
Maar
ze leek zich ook bij ons thuis te
voelen.
Ze
kwam bij ons zitten, en werd steeds
scherper.
Toch
zou ze trouw blijven.
Aan
haar principes en haar Anton.
Maar
dat begrepen we wel.
Rick
en Jasper zouden zonder haar verder
moeten.
Ze
keken haar blauwe rokje nog een keer na.
Hendrik-Ido-ambacht
kon al weer bijna glimlachen.
(Riccione, 20 juli 2000)
Telepass
De
man dacht aan zijn vrouw in Pesaro.
Hij
bracht zijn hand bijna gedachtenloos naar
buiten.
De
jongens hadden hem tweeduizend lire
gegeven.
Zijn
vrouw was de laatste tijd wat dikker
geworden.
En
of zijn voetbalclub dit jaar wat zou
doen?
Hij
wist het niet.
De
blonde Cinquecento-bezitters keken al wat
ongedurig.
Hij
vond zijn baantje ineens niet meer leuk.
De
tolpoorten waren niet meer wat ze geweest
waren.
Maar
hij zou ze terugpakken.
Hij
gaf die Hollanders alleen maar kleingeld
terug.
Daar
klaarde zijn gezicht van op.
Zeker
toen hij dacht aan dat schatje dat net voorbij gereden
was.
Hij
glimlachte en er kon zelfs weer een 'arrivederci' van
af.
(Sant? Arcangelo, 22 juli 2000)
De Grote Beer
Ze
hadden lekker gegeten en waren een beetje aan het
uitbuiiken.
e
keken wat voor zich uit, waar iets eerder de zon was onder
gegaan.
Ze
zagen rijen witte caravans, maar daar ging het niet
om.
Boven
de bergen van de Marken waren duizenden lichtpuntjes
verschenen.
En
daar, naast de verlichte berg, stond
hij.
Hij
keek op ze neer.
Hij
zag Sabine lief lachen en Rainier nog wat aftershave
opspuiten.
En
sommigen van die mensen vonden hem op een steelpannetje
lijken.
Hij
gromde wat.
Laat
ze eerst maar afwassen, dat zal ze
leren.
Tevreden
keek hij even later toen theedoeken
kwijtraakten
en
sommigen rilden van de kou.
Toch
was hij ze niet ongunstig gezind,
Er
kwam nog een mooie Sangiovese op tafel.
En
hij geleidde met zijn licht de jongens over de donkere
wegen naar huis.
(Sant? Arcangelo, 22 juli 2000)
De
terugkeer
Een
gespannen gevoel maakte zich van hem
meester.
Hij
zat een beetje opgevouwen in de Volvo.
Langzaam
begon hij zich thuis te voelen.
Hij
zou terugkeren naar de stad.
De
stad die hij misschien nooit echt verlaten
had.
Hij
keek rond met de arrogantie die de inwoners eigen
is.
Zich
wat verheven voelend, maar toch tussen de
toeristen.
Met
zijn reisgenoten liep hij langs Pantheon en
Fontein.
Met
zijn vrienden dook hij de kroeg in, denkend aan vroeger
tijden.
Zo
baadde hij zich in het verleden en kon weer verder in het
heden.
En
nam hij weer afscheid van de eeuwige
stad.
Maar
die was er zeker van dat Rick wel weer zou
terugkeren.
(Sant? Arcangelo, 26 juli 2000)
De keuken.
Soms leek de middag van de Karthausjes uit een ding te
bestaan.
Vader
Remco trok de regie naar zich toe,
Alles
balancerend op de weinige vuren die de caravan hem
bood.
Dochter
Sabine, terwijl ze haar lokken af en toe
corrigeerde,
ze
zuiverde en prakte, in haar blauwe
speelpakje.
Ze
wisten dat het de moeite waard zou zijn.
Drie,
vier, zes gangen, de hele avond werd ermee
gevuld.
Omstanders
verbaasden zich terwijl ze hun eigen prakje
verorberden.
Aan
het culinaire feest dat zich avond aan avond
voltrok,
waren
zij nog niet toe.
Of
de Tijkottetjes en die Rick dat wel waren wisten ze
niet.
Maar
ze zorgden wel voor gezelligheid.
Bovendien,
zo waren er meer mensen voor de afwas.
(Sant? Arcangelo, 26 juli 2000)
Cinquecento
Hij
was wit.
En
hij was dapper.
Terwijl
hij zich tussen de grote Duitsers over de Brenner
worstelde.
Hij
was gewend in de stad te rijden.
Hoewel
stad, in Italië voelde hij zich meer
thuis.
Nu
zou hij die studenten naar huis brengen.
Die
waren lief voor hem geweest.
Ze
poetsen hem, toen die uilen hem vies hadden
gemaakt.
Ze
gaven hem te eten.
Nee,
hij had niet te klagen.
Tevreden
snorde zijn motortje,
hoewel
hij het af en toe wel moeilijk had.
Op
de Fernpass en in de Chianti.
Maar
toen hij de Klaverstraat binnenreed, werd hij toch
weemoedig;
Het
grote avontuur was afgelopen.
(Amsterdam, 30 juli 2000)